Uit het Griekse dorpsleven...
Dimitris had vandaag een das om.
Het was voor het eerst dat ik hem zo zag: in een pak en met een das. De das was niet zo erg mooi gestrikt, maar het was goed bedoeld en daar gaat het maar om.
Dimitris in pak, met das.
Hij had nieuwe schoenen aan. De neuzen glommen als spiegels en op de gladde leren zolen zat geen smetje, geen krasje.
Het was maanden, misschien wel een halfjaar geleden dat ik Dimitris voor het laatst had gezien. Ruim een jaar, misschien wel twee jaar geleden liep hij regelmatig voor ons huis langs en dan groeten we elkaar, informeerden naar elkaars welzijn en maakten een praatje over het weer. Verder strekt mijn Grieks ook nauwelijks, maar hier in het dorp is dat voldoende om de relatie te onderhouden. Kom ik op mijn dagelijkse wandeling een boer tegen die in zijn perzikenboomgaard bezig is dan kan ik informeren naar zijn gezondheid, de welstand van de perziken en de geschatte oogst en straks, als ze aan het plukken zijn, kan ik dan ook vragen welke prijs ze gaan opbrengen – per kilo of per ton. Die valt altijd tegen.
Een week of twee geleden ontspon zich ook zo’n gesprek en toen zei die boer: “Sprechen sie vielleicht auch Deutsch?”
“Jawohl,” zei ik.
Kijk, dan krijgt het gesprek onmiddellijk veel meer diepgang, want het taalverschil is en blijft een barrière; ik kan me aardig redden, maar een werkelijk gesprek, nee, dat lukt toch niet echt.
Hij informeerde uit welke stad in Holland ik afkomstig was en toen ik zei dat ik in Rotterdam geboren was en dat dit ook nog altijd mijn favoriete stad was, hadden we nóg meer gespreksstof: hij was in Rotterdam geweest.
“In de Kuip,” wist hij zelfs te melden, in het Feyneoordstadion. Hij had acht jaar in Aken gewerkt en in die periode moest Griekenland een keer tegen Nederland voetballen en toen waren ze met een bus naar Rotterdam gegaan. Daar hadden ze toen veel plezier gehad, vertelde hij.
Zijn perziken stonden er prima bij, zei hij: “Mía xará,” wat nog beter is dan alleen maar goed: dat is prachtig. Een vreugde, eigenlijk. Dat zeg je ook als iemand vraagt hoe je het maakt en je wilt zeggen dat je werkelijk in blakende welstand verkeert.
Zijn perziken zijn van de heel vroege soort en hij is op het moment van schrijven al aan het plukken, maar hij had gelijk: ze zijn werkelijk een lust voor het oog. Prachtige grote, mooi gekleurde vruchten. Die gaan straks in blik en glas op sap.
Terug naar Dimitris
Het afgelopen halfjaar zag ik hem, als ik met mijn honden uitging, zo nu en dan voor zijn deur in het zonnetje zitten en wisselden we weer een groet, vanwege de afstand en de taal nog korter en beduidend minder verstaanbaar dan onze vroegere gesprekken, maar ook dat is voldoende en ik weet dat het wordt gewaardeerd, als je belangstelling toont.
Vanmorgen zag ik hem voor het eerst na lange tijd terug en ik herkende hem nauwelijks. Of liever: als ik niet had geweten wie hij was, zou ik hem niet hebben herkend. Hij had dat pak aan en die das en hij was dood.
Dat kwam niet als een verrassing; hij was al maanden niet meer van zijn bed af geweest en toen we enige weken geleden zagen dat hij per ambulance werd afgevoerd, zeiden we: “Het is gebeurd met Dimitris; over twee of drie dagen hebben we een begrafenis.”
Dat duurde dus nog langer dan verwacht.
Toen ik vanmorgen om halfnegen met de honden uitging, zag ik mannen op het erf zitten, gezellig keuvelend, met een kopje koffie erbij en toen ik even verder kwam, zag ik het deksel van Dimitris’ kist naast de voordeur staan. Zo gaat dat dan hier. De doodsklok had nog niet geluid terwijl dat normaal, als iemand gedurende de nacht is overleden, om zeven uur ’s morgens gebeurt. Ik had de klokken wel gehoord, maar dat was om acht uur geweest en die luidden gewoon, vrolijk en uitnodigend en niet op de langzame, plechtige manier, klok voor klok in een bepaalde volgorde en toonaard
Ik belde mijn vrouw om te melden dat Dimitris dood was en dat we dus, als ik terug was met de honden, eerst op rouwbezoek en later ter begraaf zouden moeten gaan en toen wist zij te vertellen dat het vandaag een bijzondere kerkelijke dag was en dat de doodsklok dan pas om negen uur, na de dienst, zou worden geluid. Alles op zijn tijd. Dat hoorde ik later inderdaad terwijl ik aan de wandel was.
Thuisgekomen gedoucht en omgekleed, de shorts en T-shirt voorlopig even laten liggen en lange broek met overhemd aan. Dat hoeft hier niet: niemand neemt het je kwalijk als je in je spijkerbroek, met een T-shirt van Coca Cola en een petje van John Deer tractoren, op rouwbezoek komt, maar ik hou me toch bij voorkeur aan bepaalde conventies. In de winter steek ik me in driedelig kostuum en als het koud is ook in overjas. Dan komt dat spul tenminste ook eens uit de kledingzakken.
Mijn vrouw knipte een bos rozen uit de rijkdom in onze tuin waarna we naar Dimitris en Chrysanti gingen.
Dimitris zag er niet best uit, reden waarom ik hem nauwelijks herkende. Hij was niet alleen sterk vermagerd, maar de afleggers hadden er aardig met de pet naar gegooid; hij was goor en ongewassen, zijn ogen halfopen en een grote prop watten in de halfopen mond. Het leek eerder alsof ze hem hadden opgegraven in plaats van dat we hem straks gingen begraven. Dat maak je niet goed met een pak en een das en ook niet met nieuwe schoenen. Zoals te doen gebruikelijk was hij al voor een groot deel bedekt met bloemen en mijn vrouw voegde haar rozen daarbij, maar die glimmende zwarte punten staken er ver bovenuit en die schone, gladde zolen ook. Die blijven voorlopig ook schoon en glad.
Zijn vrouw, Chrysanti, zat naast hem en die zag er aardig beter uit dan enige tijd geleden. De weken dat Dimitris in het ziekenhuis had gelegen, hadden haar duidelijk goed gedaan. Het valt niet mee om iemand maandenlang in bed te hebben liggen, vooral niet als je zelf slecht ter been bent. Thuiszorg is hier een onbekend begrip en de dorpskapper die ik sinds enige maanden frequenteer en die een neef van Dimitris is, vertelde me bij mijn laatste bezoek dat het hem daarbinnen zwaar viel als hij Dimitris een keer per week op zijn bed kwam scheren. Een dergelijke mededeling hoeft dan niet nader te worden toegelicht.
We zijn maar kort gebleven. We moesten nog even naar het naburige stadje. Het was inmiddels tien uur en Dimitris zou al om elf uur naar de kerk worden gebracht en vandaar naar het kerkhof, dus we moesten even opschieten.
“Haast je maar niet,” zei iemand. “Papas is altijd te laat, dus dat wordt wel halftwaalf.”
Ik voelde er weinig voor om naar de kerk te gaan en mijn vrouw voelde er nog minder voor om in deze warmte dat hele eindachter de kist aan naar het kerkhof te moeten lopen. Daarom spraken we af dat ik thuis zou blijven waarna ze me aan het eind van de dienst zou bellen, waarop ik haar dan met de auto zou oppikken zodat we nog voor de stoet op het kerkhof zouden zijn.
Papas was deze keer niet te laat, want toen we om vijf over elf terug waren, was Dimitris al afgevoerd. Ze was nog maar nauwelijks in de kerk, toen ze al belde: papas had er een vluggertje van gemaakt en de hele reut in recordtempo afgeraffeld. Ik heb dat eerder van hem meegemaakt, reden waarom die kerk voor mij niet zo nodig hoeft. Wel het rouwbezoek en ook de begrafenis.
We waren lang voor de stoet op het kerkhof waar zich al een aantal mensen had verzameld. Lalakkos, die met zijn graafmachine de graven opent, Thimeon die het daarna keurig afwerkt en na de begrafenis dichtgooit, plus een aantal bekenden. Wij keuvelden wat in de schaduw van de dennenbomen die harsig geurden en wat knisperden in de droge hitte.
“Lalakkos,” zei mijn vrouw,.“Maak het voor mij niet zo diep, want ik krijg het nu al benauwd als ik het zie.” Dat beloofde Lalakkos. Ik vond het juist erg ondiep: nog geen meter. Niet echt “six feet under”.
De stoet kwam, Papas voorop.
De bloemen werden van Dimitris’ lichaam gehaald en in het graf gegooid. Nu zagen wij zijn kostuum en zag ik ook hoe sjofel dat was. Die nieuwe schoenen staken er wel heel scherp bij af. De lijkdoek werd over hem heen getrokken. Papas mompelde wat, trok het flesje rode wijn open en goot dat gedeeltelijk uit over Dimitris en de rest in het graf. Gezien de manier waarop hij dat deed, zou het me nauwelijks hebben verbaasd als hij de rest niet in het graf, maar in zijn keel had gegoten.
Het deksel ging los op de kist, en de kist werd aan twee griezelig dunne touwtjes in het graf neergelaten. Daarna gooit iedereen die dat wil drie handjes aarde op de kist en hiermee was de begrafenis gedaan. Geen tranen, geen geweeklaag. Gelukkig maar, want dat zou wel heel onoprecht zijn geweest.
Buiten het hek van het kerkhof stonden de vier dames met de gebruikelijke gaven: gekookte tarwe met suiker, een olijf, een stukje halva en een speciaal broodje. Een vijfde stond met een handdoek bij de kraan voor hen die na de drie handjes aarde hun handen wilden wassen. Ik doe dat liever bij de kraan op het kerkhof zelf en heb liever mijn eigen tissues dan die handdoek, maar die mevrouw en die handoek horen bij het ritueel.
Wij gingen naar het kafenion voor een kopje koffie, een cognacje, een koekje en een chocolade olijf en praatten gezellig een halfuurtje met vrienden en bekenden. Op het terras was het heerlijk koel en het uitzicht is daar prachtig. Toen gingen we afscheid nemen van Chrysanti.
“Ik ben toch zó blij dat jullie ons niet vergeten zijn,” zei ze.
“Mens, we zijn buren!” zei mijn vrouw.
In de komende week gaat ze bij Chrysanti op de koffie en neemt dan iets mee: een pakje Griekse koffie, een pak suiker, een pak halva, zoiets. Een handdoek of een paar zwarte kousen is ook goed.
Dat hoort zo.
Dat hoort bij het Griekse dorpsleven.
20 juli 2006

Reader Comments