Anthony van Kampen overleed in mei 1991, 79 jaar oud. De laatste brief die hij me schreef, is van 20 januari 1984 en die begint hij, zoals altijd met: "Beste vriend Horsten". Vandaar dat ik Anthony - Toon - van Kampen mijn vriend durf te noemen. In 1961 leerden we elkaar kennen. Ik voer toen op de Scheldeborg, mijn eerste schip als kapitein en omdat ik toen opeens rijk was, schafte ik me eindelijk eens een goede camera aan: een volautomatische Minolta met een prima lens, de bekende Rokkor van Minolta. Pas later begreep ik dat volautomatisch ook niet alles is en kocht ik mijn eerste Asahi Pentax spiegelreflexcamera, maar met deze Minolta kon ik eerst goed vooruit. Ik begon vlijtig te knippen, wendde me tot mijn zwager Piet Ponjée om advies over ontwikkelen en afdrukken en had al spoedig mijn eigen donkere kamer aan boord. In de kleine reservehut van een 500-tonner - drie treetjes af vanuit de salon - met een grote spaanplaat op de kooi en spoelwater dat je met de hand op druk moest pompen. Maar het ging uitstekend en ik was zelf aardig tevreden over de resultaten. In die tijd was Siep Zeeman, die erg veel foto's leverde voor De Blauwe Wimpel net aan de wal gekomen, waarop ik een nette brief aan de Wimpel schreef met de vraag of mijn foto's soms in aanmerking kwamen voor plaatsing. Ik was inmiddels van de Scheldeborg overgeplaatst naar de Beppie waarmee we in timecharter voeren tussen Oslo en Liverpool, om de noord, door de Pentland Firth en dan tussen de Binnen-Hebriden door. Ik werd onmiddellijk gegrepen door het indrukwekkende, maar ook sombere van die eilanden waar het niet altijd maar wel elke dag regende en moest onmiddellijk denken aan het boek van Anthony van Kampen dat in 1952 verscheen onder de titel Roes en tien jaar later opnieuw werd uitgegeven onder de veel betere titel Runamara.
Ik fotografeerde daar tussen de Hebriden en rond Cape Wrath heel wat af en de Wimpel plaatste mijn foto's graag. Bovendien schreef ik daarbij lange brieven aan Toon van Kampen met uitleg over mijn foto's en de over de omstandigheden waaronder ik ze had genomen, wat voor hem aanleiding was me te vragen of ik dit om wilde zetten in artikelen die in de Wimpel geplaatst konden worden. Dat was tegen geen dovemansoren gezegd. Later werden diezelfde artikelen door sommige lezers "het beste dat ooit in de Wimpel verscheen" genoemd. Naast die artikelen raakte ik verwikkeld in een uitgebreide correspondentie met Toon van Kampen, over diezelfde Hebriden waardoor hij gefascineerd was en ik door geffascineerd raakte. Ik vertelde hem dat ik vroeger had genoten van zijn boek Roes, maar dat ik het een keer had uitgeleend en nooit meer teruggekregen, waarop hij me onmiddellijk een gesigneerd exemplaar van Runamara stuurde.
Nadat ik aan de wal was gekomen, als bedrijfsleider bij Van Gend & Loos, waar ik het overigens maar twee jaar uithield - Toon had gelijk toen hij me schreef: "Ik weet het niet, maar ik zie jou Van Gend & Loos nog niet direct opstuwen in de vaart der volkeren" - zocht ik hem twee keer op in zijn mooie "huis met de bel" in Bergen NH en toen al zei hij wat hij later meerdere malen zou herhalen: "Jij zou toch eens een boek moeten schrijven."
Ik zag dat toen helemaal nog niet zitten, ging weer naar zee en bleef fotograferen en artikelen voor de Wimpel schrijven. Wel schreef ik een kort verhaal dat ik hem toestuurde en waar hij erg enthousiast over was. Het zou in de Wimpel worden geplaatst met tekeningen van Reint de Jonge en ik kreeg keurig een honorarium uitbetaald. Ook toen drong hij er weer op aan dat ik er eindelijk eens voor moest gaan zitten en een boek schrijven, maar ik was er nog steeds niet aan toe. Dat verhaal is overigens nooit in de Wimpel verschenen. Ik heb het vorig jaar opgenomen in mijn bundel Vroeger had je lol waar het te vinden is onder de titel Perziken.
Halverwege de zeventiger jaren raakte ik in een diepe, persoonlijke crisis en moest ik noodgedwongen een tijd aan de wal komen. Een even zwarte als zware periode. Voor iedereen. Daar kon Toon van Kampen me ook niet bij helpen, maar hij begreep het wel en ook dat is veel waard. Helaas is alle correspondentie uit die tijd, samen met zoveel andere zaken, verloren gegaan. Maar toen ik weer uit dat diepe gat omhoog begon te krabbelen, kreeg ik plotseling een idee voor een boek: drie persoonlijke ervaringen die volledig los van elkaar stonden en ook niets met elkaar te maken hadden - behalve dan dat ze aan boord van schepen h adden plaatsgevonden - maar die, samengevoegd, een naar mijn mening goed verhaal opleverden. Het was net een zwangerschap: ik was precies negen maanden bezig. Toen was ik klaar en met gepaste schroom stuurde ik het naar Anthony van Kampen. Al na enige dagen kreeg ik bericht terug: hij was laaiend enthousiast, niet alleen over het manuscript maar nog meer op de manier van: Zie je nou wel? Ik wist het immers?! Want dat is altijd Toon van Kampens lust en leven geweest: anderen tot schrijven brengen. Zijn oordeel woog bij Unieboek/De Boer heel zwaar en het manuscript werd dan ook onmiddellijk aangenomen. Welke debutant heeft dat? Ik ben Toon van Kampen daar altijd erg dankbaar voor gebleven.

Dat werd dus dit boek. Met de titel ben ik het nooit helemaal eens geweest, maar daar heb je als debutant weinig stem in. Achter de inhoud sta ik nog altijd helemaal.
Daarna verloor ik het contact met Van Kampen geruime tijd, ook alweer door de woelige en soms tumulteuze toestanden in mijn leven. Toen ik datzelfde leven in 1983 rigoreus omgooide, nam ik eind december van dat jaar weer contact met hem op. Het antwoord kwam drie weken later en dat was meteen de laatste brief die ik van hem kreeg. Zijn vrouw lag toen, na een zeer zware hersenbloeding op sterven en is kort daarna inderdaad overleden. Daar is hij nooit meer overheen gekomen. Mijn brieven werden niet beantwoord en pas na een brief in februari 1988 kreeg ik antwoord van zijn zaakwaarnemer: Van Kampen leefde nog wel, maar wilde dat eigenlijk niet meer. In 1991 overleed hij. Ik zal altijd met veel warmte en dankbaarheid aan hem blijven denken want hij heeft veel voor me betekend. Als je in je leven twee echte vrienden hebt, mag je jezelf een gelukkig mens noemen. Ik had er drie. Toon van Kampen was er een van en dat beschouw ik als een eer.
